Waterreus, Familie

Uit FamilieWiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Over scheef aangekeken katholieke buitenbeentjes in Scheveningen, vissers met donkere ogen en woest krullend haar. Allen afstammeling van één Waterreus, vernoemd naar de legende van het meisje Mooi dat een zeecreatuur in vuur en vlam zet. Hoe Jacob Waterreus, zoon van een arme schoenlapper, met de trekschuit en zijn jonge gezin naar het zuiden trekt waar een betere toekomst lonkt; hij wordt voorbeeldig hoofdonderwijzer in het Bisschoppelijke Roermond, en richt later een particuliere Rooms Katholieke school op. Over zijn historiserende vrome gedichten, en hoe een monarchistisch gedicht beloond wordt door Willem III. Zijn dochters treft een ongelukkig lot; vroeg gestorven, waarvan een verdronken in de Maas, lijdend aan ijlhoofdigheid.


Marcus Cornelius Josephus Waterreus, een van de latere telgen uit het geslacht Waterreus wanneer hij ca 70-75 jaar oud is (jaren '30 van de 20e eeuw)
Afstamming: hoe de families in elkaar oplossen naar boven toe
De Haan-Swertz
De Haan-Waterreus
Waterreus-Tijssen
Waterreus
van der Lubbe

Deze pagina beschrijft de voorouders van Angelina Adriana Josephina Maria (Lina) Waterreus (1892), moeder van Marcus Jacobus Caspar Maria (Max) de Haan (1920).

De Waterreuzen worden beschreven van hun oorsprong tot en met Jacobus Waterreus (1824), grootvader van Angelina (Lina) Waterreus. Latere familieleden worden elders beschreven.

Inhoud

Oorsprong en legende

De meeste mensen met de achternaam Waterreus stammen af, voor zover bekend, van één persoon, namelijk Dirk Waterreus, geboren in 1545 in Scheveningen.

De familie draagt het patroniem Dirksen (zoon van Dirk, dat weer afgeleid is van Theodorus) maar men noemt zich Waterreus. Het voeren van een bijnaam is in die tijd gebruikelijk.

Het is onduidelijk waarom men de bijnaam Waterreus kiest. Men schrijft het vaak toe aan de legende van de waterreus, die handelt over een verstoten jongeling, net zo buitengesloten als de katholieke Waterreuzen in het overwegend protestants Scheveningen. Ook heeft de legende katholieke symboliek, zoals het kruisje maken op het voorhoofd door het meisje Mooi.

Oud half faience bord met vis of zeemonster in blauw op wit fond

Het kan ook zijn dat een familielid te maken heeft gehad met het aanspoelen van een groot zeedier aan de kust, destijds onbekende 'zeemonsters'. Zo bewaart een kerk van Scheveningen nog een enorme kaak van een potvis van heel lang terug.

Daarnaast wordt gespeculeerd dat de naam staat voor 'handelaar in schoon water', /een sterke of grote voorouder nabij een waterloop' of een 'voorouder afkomstig uit een overzees land'.

Hoe het ook zij; Waterreus wordt van bijnaam een achternaam. De naam wordt voor het eerst officieel geregistreerd bij het huwelijk van Theodorus (Dirck) Waterreus rond 1667.

De waterreus en het meisje Mooi

Aan de familienaam Waterreus is de legende van de waterreus verbonden.

De waterreus is een verstoten jongeling die wacht op redding door een meisje dat drie kruizen op zijn voorhoofd slaat. Schilderij "Jongeman bij de zee" van Hippolyte Flandrin.

De waterreus is een jongeling die voor Scheveningen in zee leeft. Hij is vervloekt en gedoemd voor altijd in de golven te leven. Alleen een meisje dat 's nachts met haar wijsvinger drie kruizen op zijn voorhoofd maakt, kan hem redden. Een straatarme weduwe heeft een beeldschone dochter, Mooi genaamd, die elke dag uit vissen wordt gestuurd zodat ze niet verhongeren. De waterreus heeft een oogje op haar en drijft vissen in overvloed in haar netten. Het meisje deelt de vis ruim uit, maar wordt beschimpt door jaloerse dorpsgenoten. Als het meisje de waterreus doorkrijgt moet ze niets meer van hem hebben.

Het meisje staakt haar tochten tot ze op een nacht toch terugkeert naar haar heimelijke bondgenoot. Ze verklaren elkaar de liefde en de waterreus vraagt of ze mee de diepte ingaat naar zijn kristallen paleis. Haar plicht jegens haar behoeftige moeder weerhoudt haar en zij vraagt op haar beurt of de jongeling met haar meegaat. Daarvoor moet ze wel de ban verbreken. Ze doorstaat stormen en monsters maar het lukt haar om drie kruizen op het voorhoofd van de jongeling te slaan. Hij kom aan land, ze trouwen en hebben een talrijk nageslacht.

In jaargang 29 (1865) van De Gids, een cultureel en literair tijdschrift dat sinds 1837 gepubliceerd wordt, staat een artikel dat refereert naar de legende van de Waterreus. De integrale versie is op de pagina Waterreus legende te vinden.

Protestantse omslag in Scheveningen

Achterbuurtje in Scheveningen. De Waterreuzen dragen bewust geen lokale klederdracht zoals op de prent uitgebeeld

Rond 1572 doet de Reformatie zijn intrede in Scheveningen. Als de Spanjaarden Den Haag en Scheveningen voorgoed verlaten wordt de enige pastoor Cornelis Willemsz. protestant. Het is het begin van de Hervormde predikanten. De meeste inwoners scharen zich achter hem met uitzondering van vier gezinnen, die Rooms-katholiek blijven. Daartoe behoort ook de familie van Dirk Waterreus. De omslag gaat bruusk en gepaard met vijandigheid jegens de katholieken. Uit de kerkhistorie van Scheveningen (1965):

(...) De overlevering wil, dat op zekere dag de gehele Scheveningse kerk, de pastoor incluis, en bloc tot de hervormde leer overging. Afgaande op het oordeel van een toenmalige roomse geschiedschrijver over deze pastoor, die hem "een toomelooze monnik en landverwoester" noemt, zou die overlevering wel eens een grond van waarheid kunnen bevatten.
Het jaar 1578 betekende dus, voorlopig althans, het einde van de Rooms - Katholieke Kerk te Scheveningen en men kan vrijwel aannemen dat er op het einde van de 16e eeuw zo goed als geen Roomsen meer waren. Een plakkaat gaf, op boete van ƒ 200,- geen huizen, schepen of velden voor roomse godsdienstoefeningen af te staan. Zij die het waagden deze diensten te leiden werden met levenslange verbanning bedreigd.
Toch gebeurde het wel dat een geestelijke de wet trotseerde. Zo is bekend, dat omstreeks 1630 een zekere Engelbertus Kenniphoven met een draagbaar altaartje de dorpen rondom Den Haag en ook Scheveningen bezocht en bij zijn huisbezoeken tevens kinderen doopte.

Katholieke buitenbeentjes

Katholieken waren na de protestantse opstand aangewezen op schuilkerken, zoals deze in de Oude Molstraat in Den Haag. Als de repressie minder wordt worden katholieke kerken getolereerd als ze maar niet vanaf de straat zichtbaar zijn. Dat doet denken aan de huidige discussie over de bouw van moskeeën. Foto/afbeelding: [1].

De Waterreuzen worden vanaf de Reformatie eind 16e eeuw lange tijd min of meer uitgesloten van de visvangst en moeten zich als kleine zelfstandige handhaven in een gesloten vijandige omgeving. Handelen in vis doen ze wel. Ze blijven Rooms-katholieke buitenbeentjes. Als onafhankelijke voerlui dragen ze ook niet de lokale klederdracht van Scheveningen.

Rond 1650 zullen de Waterreuzen in Scheveningen waarschijnlijk contact gehad hebben met de uit België afkomstige priester Zacharias de Metz van de Spaanse Legatie. Vermoedelijk heeft deze priester hen gewezen op de mogelijkheid om in Den Haag in de Statie aan de Oude Molstraat (daterend van 1605) hun Rooms-Katholieke geloof voort te zetten. In het Calvinistische noorden waren de Staties plaatsen waar men heimelijk de eigen godsdienst kon uitoefenen.

De segregatie is ook de reden dat er tot circa 1800 vooral binnen de familie wordt getrouwd. Het leidt tot kenmerkende eigenschappen, waardoor vele waterreuzen nu nog op elkaar lijken. De oorspronkelijke Waterreuzen hebben donkere ogen en krullend haar, typische Frankische kenmerken, in tegenstelling tot de blonde sluikharige Scheveningers die ook veel Fries bloed hebben.

Vanaf circa 1800 verspreiden meer gezinnen Waterreus zich over Nederland, nu ze in aantal zijn toegenomen. Hoewel de meeste Waterreuzen nog in Den Haag en Rotterdam wonen, zijn ze ook in Roermond en Eindhoven neergestreken, waar ze in grotere Rooms-katholieke gemeenschappen beter kunnen assimileren.

Er zijn veel huwelijken bekend tussen de Waterreuzen en andere katholieke families uit Scheveningen en omstreken, met name de families van der Lubbe en van der Doorn. Ze behoren ook tot onze voorouderfamilies. Vermoedelijk bracht dezelfde maatschappelijke achterstelling hen bijeen, die hen ook hinderde om zich op te werken in het Calvinistische Den Haag van de 18e en 19e eeuw.

Brieven van het strand

Visser in Scheveningse streekdracht. (ca. 1880)

De Gids, een cultureel en literair tijdschrift dat sinds 1837 uitgegeven wordt, publiceert in haar jaargang 29 (1865) een artikel waar de familie Waterreus in voorkomt. Die familie blijkt dan nog heel talrijk te zijn in Scheveningen. De vertaalde Brieven van het strand van de Duitse onbekende auteur zijn gericht aan een zekere Emilie. Twee fragmenten daaruit.

Scheveningen, 31 Julij 1864.
Mijne Lieve Emilie!
(...) Even als bij ons de halve bevolking van Pfauheim Müller heet, zoo is er hier een naam, die alle andere beheerscht: Waterreus. Men vindt hier Waterreus den bakker, Waterreus den winkelier in koloniale waren, Waterreus den melkverkooper, Waterreus den verhuurder van rijtuigen, Waterreus den herbergier en nog twintig andere Waterreuzen meer.
Ik geloof dat bovendien de helft der visschers Waterreus heet. En in waarheid, geen naam kon meer geëigend wezen voor deze plek en voor dit volk. Waterreuzen (Wasserriesen) zijn het, die lieden, wier gansche leven aan de worsteling met winden en golven gewijd is.
(...) Met regt mogen zij waterreuzen genoemd worden, die stevige, zwaar gebouwde kerels, met dat bruin gezigt onder het stoppelig blonde haar, met die breede borst in het ruime wollen hemd gehuld, zoo als zij bij de terugkomst van hun vaartuig, dat op de golven voor het uitgeworpen anker blijft schommelen, te water gaan en vierkant op hunne stevige beenen door de branding heen naar het land waden, beladen met de vruchten van hunne vangst.
Te halverlijve en hooger reiken hun de baren, wier schuimende kruinen hun dikwijls over het hoofd spatten. Maar met rustigen tred schrijden zij voort en duiken met hunne vracht druipend op aan het strand.

Vroege voorvaders

Marcus Waterreus (1710) en zijn kleinzoon Jacobus Waterreus (1785) zijn schoenmakers. Prent uit Spiegel van 't menschelyk bedryf van Jan en Caspar Luyken, (fotomechanische herdruk van uitgave 1767).
Paviljoen De Waterreus aan het Scheveningse strand. Onbekend of het gerund wordt door nazaten van onze Waterreuzen die Scheveningen verlaten begin 19e eeuw.

De vroegste voorvaders in volgorde van afstamming.

  1. Dirck Waterreus (1545). Er zijn diverse aanwijzingen dat de meeste, zoniet alle, Waterreuzen afstammen van deze ene Dirck Waterreus uit Scheveningen. Dirck draagt nog geen achternaam; dat wordt pas in de Napoleontische tijd ingevoerd. Zijn bijnaam is Waterreus.
  2. Theodorus (Dirck) Waterreus (1568), geboren in Scheveningen. Hij voert het patroniem Dirksen "zoon van Dirk", dat weer afgeleid is van Theodorus. Zoals zijn vader is hij bekend als Waterreus. In 1601 huwt hij Neeltje Pieters in Den Haag. Hij overlijdt in 1643 te Scheveningen op een leeftijd van 75 jaren.
  3. Jacobus Waterreus (1601) uit Scheveningen trouwt in 1623 met Theodora Dirkse met wie hij het volgende kind in deze lijn van afstammeling krijgt. In 1639 hertrouwt Jacobus met Kniertje Dammis. Jacobus overlijdt in 1666.
  4. Theodorus Waterreus (1628) is geboren in Scheveningen en trouwt in 1667 met Maria Joannis van der Lelie.Hij is van beroep voerman. Waarschijnlijk exploiteert hij de trekschuit tussen Scheveningen en Den Haag. Daarom bestaat het wapenschild van de waterreuzen uit een zilveren anker in een blauw veld. Het is geen adellijk wapen maar een aanduiding van de familie die bijvoorbeeld boven de deur van het woonhuis wordt opgehangen (Keizerstraat.,Scheveningen [FROM 1680]? CHECK ). Theodorus is begraven in Scheveningen in 1714.
  5. Jacob Waterreus (1668) is geboren en gedoopt in Scheveningen. Hij trouwt met Digna Teunisse van der Doorn, dochter van Antonius van der Doorn (vóór 1634), een andere voorvader. Jacob overlijdt in Scheveningen in 1748.
  6. Marcus Waterreus (1710), geboren in Scheveningen, gedoopt in Den Haag in de Rooms katholieke Kerk in de Oude Molstraat. In dezelfde kerk trouwt hij in 1731 met Maria Petri Catharina (Marijtje) van Duijn. Marcus is schoenmaker. Hij sterft in 1775 in Scheveningen.
  7. Theodorus Waterreus (1744) . Theodorus trouwt in 1773 met Joanna (Anna) de Swart (1745) uit Scheveningen. Haar vader Jacobus de Swart is Tambour en komt uit Maastricht. Theodorus woont aan de Franswater naast een Branderij in Rotterdam. Hij sterft in 1801/1809 (? CHECK ) in Rotterdam. Jacobus Waterreus uit 1785 is hun zoon.

Jacobus Waterreus (1785)

Jacobus Waterreus, zoon van Theodorus Waterreus (1744) is geboren in 1785 te Scheveningen en is van beroep schoenmaker. Hij huwt Johanna van der Lubbe (1790), dochter van Gerardus van der Lubbe (1765) en Johanna van der Doorn. Het gezin is arm. Zie de pagina Familie van der Lubbe voor meer informatie over deze familie.

Gerardus Theodorus Waterreus (1817), oudste zoon van Jacobus Waterreus en ook schoenmaker, met zijn vrouw Maria van den Doorn.

Van de tien kinderen sterven er 4 op jonge leeftijd. Het eerste kind, Johanna, overlijdt als ze 15 jaar is; een later geboren zusje krijgt dezelfde naam. Achtereenvolgens overlijden ook Cornelia Johanna (2 jaar oud), Hendrika Johanna (5 jaar) en Cornelia (2 jaar). De kinderen die hun jeugd overleven:

  1. Gerardus Theodorus Waterreus (1817 - 1895), schoenmaker zoals zijn vader, huwt Maria van den Doorn in 1841, een nazaat van Antonius van der Doorn (vóór 1634).
  2. Theodorus Waterreus (1819 - 1882), huwt Johanna Maria de Grijzen in 1844.
  3. Dina Waterreus (1822 - 1909), ongehuwd
  4. Jacobus Waterreus (1824), huwt Cornelia Adriana Groenewegen.
  5. Marcus Waterreus (1826 - 1907), huwt Anna Cornelia van Brederode in 1851
  6. Johanna Cornelia Waterreus (1829 - 1893), huwt Johannes Leonardus Holterman in 1856

Jacobus Waterreus overlijdt in 1858 te Rotterdam op de leeftijd van 73 jaren, zijn vrouw in 1860.

Jacobus Waterreus (1824)

Jacobus (Jacob) Waterreus (1824) en zijn vrouw Cornelia Adriana Groenewegen (1829).

Jacobus (Jacob) Waterreus is geboren in 1824 te Rotterdam. Zijn vader, de gelijknamige Jacobus Waterreus, is een arme schoenmaker.

Jacob Waterreus verhuist naar Delft en trouwt daar in 1849 met Cornelia Adriana Groenewegen, geboren in 1829 in Delft, en dochter van Cornelis Groenewegen en Maria Drabbe. Haar vader is voor het huwelijk overleden en haar moeder is tuinierster. Het echtpaar vestigt zich in Delft op de hoek van de Wijnhaven en de Voldersgracht.

Volgens de militierapporten is Jacob Waterreus 1,68 m lang, gemiddeld voor die tijd. Daarnaast heeft hij een ovaal aangezigt, ordinair (normaal) voorhoofd, grijze oogen, spitse neus, ronde kin, blond haar en wenkbraauwen, en geen merkbare teekenen.

Acte van het huwelijk van Jacob Waterreus Cornelia en Adriana Groenewegen (Delft, 1849)


Als jong-volwassene woont hij nog bij zijn ouders in Visschewijk D 314 in Rotterdam (onduidelijk handschrift, dus kan ook anders zijn). Bij zijn beroep staat onderm, mogelijk onderwijs; bij zijn vader staat schoenm (schoenmaker).

Jacob en Cornelia krijgen 13 kinderen waarvan er 5 overlijden; de meesten bij de geboorte. Zeven kinderen halen de volwassenheid.

  1. Anna Maria Cornelia Waterreus (1851, Delft - 1879), komt om op 28-jarige leeftijd, ongehuwd.
  2. Maria Adriana Theresia Waterreus (1857, Delft - 1922, Den Bosch). Zij trouwt in 1894 met Jan Leonard Joseph Custers.
  3. Cornelia Theodora Maria (Kee) Waterreus (1859, Delft - 1946, Heugem), ongehuwd.
  4. Marcus Cornelius Josephus Waterreus (1861, Delft - 1939, Eindhoven), huwt tweemaal; 1) Maria Elisabeth Hubertina (Marieke) Tijssen, 2) Petronella Bernardina Clasina Frerkers.
  5. Adrianus Antonius Willibrordus Waterreus (1862, Delft, - 1952, Heugem). Hij wordt priester, kapelaan en pastoor.
  6. Dina Maria Anna Gerarda (Digna) Waterreus (1867, Roermond, - 1945, Rosmalen). Zij trouwt in 1890 met Petrus Antonius Maria Stokvis die eenzelfde soort beroep heeft als haar broer Marcus; boekdrukker, uitgever en boekhandelaar.
  7. Adriana Theodora Maria Josepha Pia (Jeane) Waterreus (1872, Roermond - 1892,Roermond), komt om op 20-jarige leeftijd, ongehuwd.
Twee dochters overlijden jong; de jongste Jeane (links) en de oudste Anna (rechts) die lijdt aan ijlhoofdigheid en verdrinkt.

Twee dochters overlijden jong; de oudste en de jongste. Anna Maria Cornelia (28 jaar) verlaat in 1879 spoorloos het huis. Haar lijk wordt in de Maas gevonden in de nabijheid van de spoorbrug te Buggenum. Ze is vermoedelijk verdronken. Zij leed aan wat destijds ijlhoofdigheid werd genoemd. Volgens haar oudere zuster Cornelia (Kee) leed zij aan godsdienstwaanzin. De jongste dochter Adriana Theodora Maria Josepha Pia (Jeane) overlijdt op 20 jarige leeftijd.

Jacob is onderwijzer en schrijft geschiedkundige en vrome leerboeken en gedichten. Hij overlijdt in 1892 te Roermond op een leeftijd van 67 jaar na een griepaanval. Zijn vrouw Cornelia Adriana Groenewegen overlijdt 16 jaar later (1908), ook in Roermond.

Per trekschuit naar Roermond

De trekschuit waarmee de familie Waterreus in 1865 van Delft naar Roermond verhuist kan er zo uitgezien hebben (tegelvoorstelling, 1850).

Jacob vestigt zich, als hij 25 jaar is, in Delft; op de hoek van de Wijnhaven en de Voldersgracht. Hij wordt gewaardeerd als onderwijzer en wordt hoofd van een zogenaamde tweederangs school te Delft, een openbare lagere school. Voor een katholiek in het door protestanten gedomineerde leerwezen is dat een hele prestatie.

Als Jacob Waterreus een baan in Roermond krijgt, vertrekt het hele gezin in 1865 met al haar hebben en houwen per trekschuit naar Roermond. Aan boord zijn vrouw en zes kinderen. Het jongste kind is pas 1,5 jaar en zal een maand later overlijden.

Een andere zoon, Adrianus Anthonius Willebrordus (1862), viert aan boord zijn 3e verjaardag; hij wordt later heeroom (katholieke priesteroom) van de familie en pastoor in Haastrecht.

Moeder Groenewegen met links haar dochter Cornelia (Kee) (1859) en rechts Adrianus (1862) die later priester wordt (foto 1865)

De positie die Jacob verwerft in Roermond is directeur van de normaalschool van de zusters Ursilinen. Deze school is net opgericht door de stichting van J.C.M. Lamberts De heilige pastoor van Thildonck en ligt aan de Voogdijstraat in Roermond. In het begin worden hoofdzakelijk de eigen zusters opgeleid.

De heilige Ursula.

De positie staat vacant voor iemand van onbesproken gedrag op wiens gedrag niet het minste aan te merken is. Dat geldt voor Jacob die daarnaast bekend staat als vakman. Zijn kleindochter Angelina zou later aan hetzelfde instituut haar opleiding tot onderwijzeres krijgen.

Bisschoppelijk College

Jacobus Waterreus wordt in 1868 de eerste leerkracht en hoofdonderwijzer van de Rooms-katholieke parochiale lagere school van het Bisschoppelijk College van Roermond.

Het Bisschoppelijk College met haar internaat stond hoog aangeschreven. O.a. de latere minister-presidenten Louis Beel en Jo Cals waren leerlingen. Hij vervult deze functie 10 jaar totdat de Ursulinen zusters het onderwijs zelfstandig gaan runnen.

Het Bisschoppelijk College in Roermond

Jacob wordt ontslagen en richt In 1879 zijn eigen particulier Rooms-katholiek schooltje op, en neemt 33 leerlingen mee van zijn voormalige school. In die tijd woont het gezin nog aan de Munsterstraat B 171, maar verhuist naar het bijgebouw van een pand aan de Minderbroederstraat (C133, later 11) waar Jacob ruimte heeft voor zijn schooltje. Later begint zijn zoon Marcus Waterreus hier zijn drukkerij.

Op zijn webpagina over het Bisschoppelijk College vermeldt Pieter Simons daarover het volgende.

(...) De voorbereidende klas met vakken van gewoon en uitgebreid lager onderwijs heette officieel Rooms Katholieke parochiale lagere school, maar werd in de volksmond al gauw Klein-College of Paredis-school genoemd. In 1890 kreeg ze eigen gebouwen in de Munsterstraat, waar ze tot de zeventiger jaren van de twintigste eeuw in gehuisvest bleven.
De bekende hoofdonderwijzer J. Waterreus was in 1868 de eerste leerkracht, het algemene toezicht en godsdienstonderwijs werd verzorgd door de priesterleraar Th. Smeyers.
Waterreus stichtte in 1879 een nieuwe particuliere Rooms Katholieke school. Aan het kleincollege volgde S. Frencken hem op. De particuliere school kreeg in de loop der jaren steeds minder leerlingen en hield ergens tussen 1887 en 1891 op te bestaan. Door het hoge schoolgeld op het Klein-College waren de leerlingen allen zonen van gegoede ouders.

Schrijver en dichter

Jacobs Eerekrans voor het koninklijk stamhuis in Nederland wordt beloond met een persoonlijke dankbrief van Koning Willem III.

Jacob is katholiek geëngageerd en schrijft veel. Hij heeft grote belangstelling voor zijn vak, en van zijn hand verschijnt een leerboek van de vaderlandse geschiedenis, en een boek over opvoedkunde.

Als schrijver is Jacobus in Roermond actief. Hij schrijft artikelen in het Maandschrift van Onze Lieve Vrouwe van het Heilige Hart, de Piusalmanak, het jaarboekje van Alberdinck Thym, de Maria almanak en het Katholiek schoolblad.

De meest opmerkelijke publicatie van zijn hand is Eerekrans voor het koninklijk stamhuis in Nederland (Snelpersdruk van J.J. Romen en zonen) geschreven in februari 1877. Zijn koningsgezindheid wordt beloond met een persoonlijke dankbrief van Koning Willem III.

Hij is 25 jaar secretaris van 'Geloof en Wetenschappen'. Privé is hij een hartstochtelijk kegelaar en sleept een aantal eerste prijzen in de wacht. Daardoor is hij 's avonds vaak van huis.

Akkoorden van een vroom gemoed

In 1986 verschijnt, van de hand van Peter Nissen, het boek De akkoorden van het gemoed, een bloemlezing over het Roermondse literaire leven in de negentiende eeuw. Het openbare leven in de tweede helft van de negentiende eeuw werd gekenmerkt door het voortdurende gekrakeel tussen liberalen en clericalen.

Jacob Waterreus behoort tot die tweede stroming. Hij behoort niet tot de welgestelden, die de ontwikkeling, de tijd en de (financiële) middelen hadden om zich voor kunst, cultuur en letterkunde te interesseren, maar produceert juist historiserende vrome gedichten en verhalen. Ter onderscheid noemt Nissen dit type auteurs tweederangs. Uit dit boek:

(...) De andere tweederangsauteur, die hoewel hij zelf geen priester was, toch meer in de clericale hoek geplaatst moet worden, is Jacobus Waterreus. Rond 1865 verhuisde hij als onderwijzer met zijn gezin naar Roermond, en daar begon hij een bijna dertigjarige loopbaan in het onderwijs. Toen hij in 1892 op 67-jarige leeftijd overleed, schreef de Maas- en Roerbode over hem: 'De heer Waterreus was onderwijzer én katholiek met hart en ziel'.
Waterreus had verschillende betrekkingen in het katholieke onderwijs gehad, waarvan de zwaarste wel die was van onderwijzer aan de gevangenis oftewel het ‘Arresthuis’. De Maas- en Roerbode schreef daarover: ‘Hij vatte deze zware taak met zooveel overtuiging en zelfverloochening op, dat menig gevangene den terugkeer tot de deugd aan de kracht van zijn woord en de stichting van zijn voorbeeld heeft te danken.'
Waterreus schreef verschillende boeken voor het onderwijs, zoals een Verkorte gewijde geschiedenis, die maar liefst minstens dertien drukken beleefde. Ook maakte hij vertalingen, bij voorbeeld van een biografie van Louise de Bourbon, Het leven van Hare Koninklijke Hoogheid Maria Immaculata van Bourbon uit 1887.
En in Thijms Volksalmanak voor Nederlandsche Katholieken publiceerde hij verschillende verhalende gedichten, ondermeer over Christoffel, over de Kapel in 't Zand en over het sprekende Christusbeeld in de Minderbroederstraat. Het laatstgenoemde, gepubliceerd in 1870, is een vlotlopende berijming van de legende van Joanna van Randenrath, die elke dag op haar weg van de kathedraal naar de Kapel in 't Zand het Christusbeeld aan de Minderbroederstraat groette. Toen zij dat op een dag in grote haast vergat, werd zij door het beeld zelve terechtgewezen.
Naast dergelijke vrome gedichten over historische onderwerpen publiceerde Waterreus in 1877 ook nog een bundeltje gedichten, opgedragen aan het Koninklijk Huis.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten
Varianten
Handelingen
Navigatie
Hulpmiddelen