Cohu, Familie

Uit FamilieWiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Hoe de Cohu's, Waalse seizoensarbeiders, strooien hoedjes komen maken in Utrecht, en daar blijven. Over de winkel van Franciscus Cohu, die zich liever als François afficheert, zijn elf kinderen en over zijn portret dat in de VS als Duitse kunst wordt geveild. Over zijn oudste zoon Petrus en zijn kleinzoon die de strohoedennegotie overnemen. En hoe zijn pastoorszoon Franciscus, door alle tegenwerking in, een kerk laat bouwen in Zeist, en alvast iemand begraaft zonder kerkhof. En dan zijn andere zoon; onze stamvader Stefan, die instrumenten maakt zoals een multiplicator met astatische naald. Deze innovatieve galvanometer staat in het museum, zijn bakbarometer brengt € 8.400 op bij een Sotheby's-veiling.


François Cohu (geboren ca. 1773), strohoedenmaker en winkelier uit Utrecht. Detail van portret. Privé-collectie C. F. A. Swertz, Bennekom.
Afstamming: hoe de families in elkaar oplossen naar boven toe
Armee
Cohu
de Brieder

Deze pagina beschrijft de voorouders van Anna Catharina Sophia Cohu (1839), dochter van Stephanus Cohu (1808), en grootmoeder van Joannes Maria Antonius (Jan) Swertz (1897).

Door haar huwelijk met Johannes Armee (1830) verdwijnt de achternaam Cohu bij haar verdere nakomelingen.

Inhoud

Belgische strohoedenmakers

van Vincent van Gogh zijn veel zelfportretten bekend met strohoed. Deze is uit 1887.

De familie Cohu en de aangetrouwde familie Larive (of La Rive) doen een Franstalige oorsprong vermoeden en dat klopt. Het zijn strohoedenmakers uit Wallonië. In de Utrechtse archieven komt een aantal malen de schrijfwijze Cohn voor, waarschijnlijk een misspelling.

Een en ander wordt duidelijk in de publicatie Naar de laatste Parijse mode. Strohoedenmakers uit het Jekerdal in Nederland 1750-1900 van Annemarie Cottaar en Leo Lucassen. Op internet staat een Franse vertaling van het werkstuk.

In de loop van de negentiende eeuw komt arbeidsmigratie op gang; seizoensarbeiders verblijven voor een vast aantal maanden in vooral Zuid-Hollandse steden. Je hebt ze in soorten en maten. Italiaanse ijsmakers uit de Veneto en Toscane, Duitse trekhandelaren – de zogenoemde Tödden – uit dorpen ten oosten van de Eems, schoorsteenvegers uit Zwitserland en Piemonte, steengoedverkopers uit het Duitse Westerwald ... en Franssprekende strohoedenmakers uit het Jekerdal, tussen Maastricht en Luik.

De reden dat deze Belgische strohoedenmakers omstreeks 1800 naar Nederland komen is economisch. Deze industrie maakt vanaf het eind van de 18de eeuw een sterke groei door, en in veel grote Europese steden stichten Belgische fabrikanten bedrijfjes. Voor het stikken, vormgeven en afwerken van de strohoeden schakelen zij land- of streekgenoten in uit de Belgische provincies Luik en Limburg, met name uit het Jekerdal, met plaatsjes als Glons, Roclenge, Bassenge en Wonck.

De strohoed blijft populair tot en met de 20ste eeuw. Hier de schildersfamilie Israëls met strohoeden op: Vader Jozef zittend, Zoon Isaac staand rechts. (1909).
Wellicht dat de Cohu's een soortgelijk atelier hadden als deze van strohoedenfabrikant J.G. Damave in Bolsward ca. 1900 (foto Dwinger, Leeuwarden)

In het gebied langs de rivier de Jeker zorgt de mergelachtige grond voor stro van goede kwaliteit: sterk, soepel en glanzend. In de herfst wordt de stro geoogst, in de winter vlechten de vrouwen de hoeden. In de lente trekken de mannen het land in om de strohoeden te verkopen.

Vanaf het begin van de achttiende eeuw worden deze hoeden ook buiten België verkocht. In de grote Europese steden, zoals bijvoorbeeld in Londen, raken ze erg in trek. Henri Corbusier uit Wonck opent daar een hoedenwinkel. Aan het strand van Scheveningen worden deze populaire hoeden ook veel gedragen. Men kan ze kopen bij winkels van Belgische strohoedenmakers zoals die van de familie Colson aan de Korte Poten in Den Haag.

Het zijn hoofdzakelijk mannen die migreren en de band met de geboortestreek blijft groot. De meeste van hen verblijven maar tijdelijk op Nederlandse bodem. De seizoensmigratie verloopt volgens een vast patroon: de strohoedenmakers arriveren in februari en vertrekken in juni weer naar België. Aan het einde van de negentiende eeuw verdwijnt de vraag naar dit soort seizoensarbeiders.

Pierre Cohu

Een aantal Belgische strohoedenmakers vestigt zich op den duur met gezin en al in Nederland of trouwt met een Nederlandse partner waardoor het verblijf een permanent karakter krijgt. Dat eerste is vermoedelijk het geval bij de vroegstbekende Cohu-telg Pierre Cohu. Zijn echtgenote Marie Margaretha Duwalt heeft een vreemde naam en is waarschijnlijk ook niet-Nederlandse. Ze wonen in Utrecht als hun zoon François Cohu (ca. 1773) wordt geboren.

Hoewel van Pierre Cohu niet terug te vinden is dat hij strohoedenmaker is, kan het haast niet anders; de drie generaties na hem beoefenen dit ambacht en zullen het zeer vermoedelijk van zoon op zoon hebben doorgegeven; François Cohu, Petrus Cohu en Nicolaas Johannes Petrus Cohu.

maar verder terug toch Frans?

TEKST

Ondanks het duidelijke spoor naar Wallonie, is de naam Cohu daar weinig bekend. De naam komt het meest voor in het Franse département Maine et Loire in Midden-West Frankrijk tegen Bretagne aan. De naam heeft ook Bretonse wortels:

Origine : Cohu est un nom de famille, represente l'ancien francais cohue, a désigne en bretagne et poitoumarche couvert, halle issu du moyen breton cohuy, qui a du designer l'inspecteur de la cohue ce terme désigne aussi l'assemblee des officiers justiciers, a l'origine ce sens a du s'appliquer a la juridiction des halles.

Kort door de bocht; cohu is een oud Frans woord voor markt, hal of verzamelplaats. Vandaar dat het huidige woord 'cohue' synomiem staat voor 'menigte' of 'gedruis'.

Na Frankrijk komt de naam Cohu het meest voor in de VS, VK en Spanje.

Duits zegelmerk om een brief mee te verzegelen van het bedrijf Duwalt Korndoerfer und Co. uit Keulen.

Ook de achternaam van Pierre Cohu's vrouw Marie Margaretha Duwalt kan een Franse oorsprong hebben, in ieder geval een niet-Nederlandse oorsprong. Er zijn twee plausibele kandidaten;

  1. de naam is een verbastering behorend tot een brede groep namen Theobald, Diebold, Tubald, Diepelt, Dewalt, met een hele vroege oorsprong in Duitsland en Frankrijk en uitgewaaierd naar het VK en de VS, waar 'Dewalt' een veel meer voorkomende achternaam is.
  2. de naam is een variant op de huidige meestvoorkomende Duval die overwegend voorkomt in het noorden en westen van Frankrijk. Varianten zijn o.a. Duvalet en Duvaley. Het betekent zoveel als uit de vallei.

De kans is dus groot dat de echtelieden Cohu-Duwalt hun wortels in Frankrijk hebben.

François Cohu (ca. 1773)

Franciscus (François) Cohu, zoon van Pierre Cohu en Marie Margaretha Duwalt, is geboren rond 1773/1774. Hij huwt Catharina La Rive, geboren in 1775, dochter van Etienne Stephanus (Stefan) La Rive en Johanna Parisson, ook als Parison en Parnasol gespeld.

Catharina en François brengen minstens 11 kinderen ter wereld. Alle gebeurtenissen spelen zich af in Utrecht, tenzij anders vermeld. Opvallend is dat veel Cohu's hun kindertijd overleven maar toch niet oud worden; drie overlijden op middelbare leeftijd rond hun 50e, één rond haar 40e, en twee als twintigers.

Portret van François Cohu, onderdeel van twee portretten van de echtelieden Cohu (1838). De portretten zijn via een omweg in de VS beland en daar geveild. Bron: Neal Auction.
  1. Petrus Cohu (1798), strohoedenmaker, later winkelier en koopman.
  2. Franciscus Cohu (1801 - 1858, Zeist), pastoor. Hij wordt 58 jaar oud.
  3. Margaretha (Margarita) Johanna Cohu (1802/1803 - 1853). Zij huwt Antonius Johannes Ruffels in 1825. Zij overlijdt op middelbare leeftijd, ca. 50 jaar oud.
  4. Gertrudis Cohu (1804 - 1846), Ze huwt de 5 jaar jongere Cornelius Baars en overlijdt op ca. 40-jarige leeftijd.
  5. Catharina Cohu (1807 - 1830). Zij overlijdt jong, als ze ca. 23-24 jaar oud is.
  6. Stephanus Cohu (1808 - 1859). Hij wordt instrumentmaker en overlijdt op ca. 51-jarige leeftijd.
  7. Johannes Cohu (1811 - 1840). Johannes wordt kapper en overlijdt als hij ca. 29 jaar oud is.
  8. Anthonia Johanna Cohu (1813). Zij huwt Marinus le Marchand in 1845.
  9. Cornelia Pieternella Aletta Cohu (1815).
  10. Marinus Thomas Cohu (1816), instrumentenmaker.
  11. Johanna Jacoba Pieternella Cohu (1820).
Het andere portret van het tweetal met Catharina La Rive uitgebeeld (1838). Bron: Neal Auction.

Van vijf zonen van François Cohu zijn militierapporten bewaard, keuringsrapporten die voor de militaire dienst gemaakt zijn rond hun 18-20e jaar. Daarmee is aardig te zien wat de familietrekken zijn; De Cohuutjes hebben merendeels een rond voorhoofd en kin, grijze ogen en bruin haar.

Alleen Franciscus, de theologant, heeft blond haar en blauwe ogen. Johannes de kapper heeft een pokdalig gezicht. Terwijl Stephanus een normale lengte heeft (1,68 m) is Marinus Thomas Cohu te kort voor zijn tijd; 1,62 m, ca 7 cm onder het gemiddelde voor die tijd.

François Cohu begint zijn Franse voornaam te gebruiken rond zijn 36e (1811) bij de geboorte van zijn zoon Johannes. Voor die tijd gaat hij door het leven als Petrus en soms Franciscus, volgens de archieven.

Het moet wel dezelfde persoon geweest zijn omdat de namen wisselend voorkomen; het alternatief dat Catharina 2x met een Petrus en 2x met een Franciscus/François getrouwd zou zijn geweest -steeds een Cohu- is onhoudbaar. Ook huwelijksdatum en sterfdata beide echtelieden suggereren maar één huwelijk van Catharina.

De naamsverandering kan te maken hebben met een statuswisseling. Begonnen als strohoedenmaker, wil hij nu wellicht als winkelier iets chiques uitstralen en koketteert met een Franse naam die zijn mogelijke Waalse oorsprong etaleert.

Achterkant van het hier afgebeelde portret van Catharina La Rive.

Het past ook goed in de zojuist aangebroken Franse tijd: Napoleon heeft Nederland in 1810 ingelijfd en vormt onderdeel van het Franse keizerrijk. François' eerstgeborene, zoon Petrus, wordt ook strohoedenmaker zoals zijn vader, en later winkelier en koopman. Hij woont aan de Ganzenmarkt (G 294) in Utrecht. Het pand op nr. 23 is later gesloopt. Ook François' kleinzoon Nicolaas Johannes Petrus, zoon van Petrus, wordt strohoedenmaker.

Er zijn meer Stroohoedenmakers al dan niet winkeliers. Een adresboek van Utrecht van 1863 telt vijf personen met een dergelijk beroep, waarvan drie met een Franse naam; Mathot, Corbesier en Rossay, vermoedelijk Waalse concullega's van François Cohu en zijn nazaten.

Catharina Larive heeft één jongere broer; Petrus Larive (1779). Petrus is gedoopt in de Jacobikerk, Utrecht. Volgens zijn militierapport is hij scharenslijper en lang; 1,72 m, 4 cm meer dan het gemiddelde. Hij overlijdt in 1830 in Utrecht bij het Waterpoortje (Kermis), Mariestraat (D 230). Zijn zoon zal ook slijper worden. Catharina's vader Etienne (Steven) Larive is in 1735 in Utrecht geboren, woont in de Zalistraat, en is timmerman. Hij overlijdt in 1813 in Utrecht ten huize van zijn dochter Catharina en schoonzoon François Cohu.

François Cohu overlijdt in 1845 in Utrecht op een leeftijd van 71 jaar, zijn vrouw Catharina in 1856 op ca. 80/81-jarige leeftijd.

Gesoigneerde portretjes

Een ander portret met een identieke voorstelling van François Cohu. Dit werk is wel in de familie gebleven. Privé-collectie C. F. A. Swertz, Bennekom.

Van François en zijn vrouw Catharina zijn twee portretten bekend met een dikke gouden omlijsting die eerder op deze pagina zijn afgebeeld. Ze zijn gedateerd 1838 en dus vervaardigd als ze beiden ca. 60 oud zijn. De schilderijtjes meten 33 bij 26 cm. en zijn minutieus en vakkundig uitgevoerd. Het echtpaar moet een bepaalde standing hebben gehad, wil het dergelijke schilderijen aanschaffen. Op de achterkant zijn later hun bidprentjes vastgeplakt.

De portretten zijn niet in de familie gebleven. De doeken zijn in handen gekomen van Schilderijen-Antiquiteiten Frans Heerkens Thijssen (Plein 13, Haarlem) en via een omweg beland in de VS waar ze zijn geveild als German art; de teksten op de achterzijde zijn toch zeer duidelijk Nederlands...

Een ander portret is gelukkig wel in de familie gebleven, alleen van François Cohu zonder zijn echtgenote. Het is vergelijkbaar in grootte en uitgevoerd in een gemengde techniek van verf en krijt. De afbeelding is identiek qua compositie, maar het laat meer zien aan de zijden; zo leunt François met zijn linkerhand op iets wat lijkt op een stoelleuning. Zijn mantel is identiek uitgevoerd, maar dan in leerachtig bruin. Met krijtstrepen zijn grijze haarlokken en reflecties ge-highlight'.

Zoon Franciscus de pastoor

De voormalige St. Josephkerk aan de Utrechtsestraat 60 in Zeist. Pastoor Cohu woonde in de pastorie, het gebouw rechts op de foto. Na de sloop in 1981 staat er nu een Triodosbank.

Franciscus, de tweede zoon van François Cohu wordt pastoor in Zeist. Bij zijn opkomst voor de dienstplicht geeft hij al aan theologant te zijn. Vanaf 1580 is er in Zeist geen rooms-katholieke kerk meer en gaan gelovigen in Bunnik ter kerke. Cohu zet zich er persoonlijk voor in dat Zeist een eigen kerk met kerkhof krijgt. Het lukt hem wonderwel ondanks tegenwerking.

Nadat hij met een donatie van f 7.000,- van mejuffrouw B. Vermeulen in 1843 de kleine buitenplaats Buitenzorg aan de Utrechtseweg heeft kunnen aanschaffen en de St. Josephparochie laat bouwen gaat hij subiet wonen in de aangrenzende pastorie.

Toestemming voor een kerkhof gaat lastiger. Men begraaft alvast iemand op de voorgenomen plek, mogelijk dat dat helpt.

Han van der Kolk schrijft daarover op de website van de Stichting Dodenakkers.nl:

Voordat het complex gesloopt werd, stond er nog een priestergraf met een meer dan manshoog kruis met daarop een levensgroot corpus. Hierin lagen vijf priesters begraven, waaronder Franciscus Cohu, pastoor van de St. Josephparochie van 1842 tot 1858.
Zeist wilde ook een eigen kerkhof. Pastoor Cohu wist dat tot stand te brengen. Op 9 februari 1853 wordt verlof verleend tot het aanleggen van een bijzondere begraafplaats achter de rooms-katholieke kerk aan de Utrechtse weg met de opdracht daaromheen 'eenen steenen muur' aan te leggen, dan wel daarvan dispensatie te vragen aan gedeputeerde staten van Utrecht.
Daarop vooruitlopend wordt 16 juni 1853 Paulus van Melzen begraven. Gedeputeerde staten van Utrecht weigeren 8 juli 1853 de gevraagde ontheffing.
De rooms-katholieken van Zeist zijn boos en teleurgesteld. Om de Oude Begraafplaats aan de Bergweg ligt toch ook geen muur, maar slechts een greppel met een haag. De requesten aan koning Willem III en de minister van Binnenlandse Zaken hielpen niet.
Portret van Franciscus Cohu, toegeschreven aan Louis de Reet, gedateerd 1915, uit de Collectie Rooms Katholieke Parochie Heilige Familie in Zeist.

Na veel gesteggel over en weer kan de aartsbisschop van Utrecht uiteindelijk toch toestemming verlenen tot de bouw en in 1855 mag er officieel begraven worden. Paulus van Melzen is dus 2 jaar op een onofficiële plaats begraven, maar Gods eigen akker zal waarschijnlijk wel eerder (illegaal) gewijd zijn. Cohu blijft verbonden aan zijn kerk en blijft pastoor tot zijn dood in 1858. Hij wordt ca. 58 jaar oud.

In 1981 zijn het kerkgebouw en de pastorie gesloopt. Daarmee is ook het priestergraf met een meer dan manshoog kruis met daarop een levensgroot corpus verdwenen, waar Cohu met vier andere priesters begraven lagen.

Op de plek van de vroegere kerk staat nu de Triodosbank. Als eerbetoon heet de aangrenzende straat in Zeist sinds 2008 Pastoor Cohustraat. Misschien is het symbolisch, want de straat is niet te vinden op Google maps en heeft geen postcodevermelding.

Overgekalkt portret?

Van Franciscus Cohu is een portret bekend, toegeschreven aan Louis de Reet, en gedateerd 1915. Het is onderdeel van de Collectie Rooms Katholieke Parochie Heilige Familie in Zeist.

Er is iets merkwaardigs aan de hand met dit schilderij. Het afgebeelde gezicht lijkt als twee druppels water op dat van zijn vader François Cohu op zijn eigen schilderij.

Zwart-wit weergave van de gezichten van vader en zoon Cohu op drie schilderijen. Het waarom van het 'kloonschilderij' van zoon Franciscus (midden) is onduidelijk (Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, rechten portret verlopen)

Franciscus oogt wel jonger en heeft minder scherpe trekken. Het haar is zwarter maar gekapt met dezelfde scheiding. Ook de kleding is aangepast en Franciscus draagt het obligate collaar (priesterboord).

Over de reden van de imitatie is het slechts gissen; het portret is een laat eerbetoon aan pastoor Cohu, en ruim een halve eeuw na zijn dood vervaardigd. Men wist misschien niet meer meer hoe hij eruitzag, en wellicht dacht iemand hij leek verrekes veul op zijn vader.

Het donkere haar correspondeert in ieder geval niet met het militierapport van Franciscus, waarin staat dat hij blond haar en blauwe ogen had.

Stephanus Cohu (1808)

In het midden links het Utrechtse stadhuis, waarachter de familie Cohu woonde. De Domtoren is ook te zien (Reinier Craeyvanger, ca. 1833)

Stephanus Cohu, zoon van François Cohu en Catharina La Rive, is geboren in 1808. In 1834 huwt hij Catharina Sophia de Brieder, dochter van muntgezel en smidmeester Cornelis de Brieder en Anna Catharina Hooge. Haar familie kent een lange traditie van goud- en zilversmids, en wordt apart beschreven op de pagina familie de Brieder.

Catharina en Stephanus krijgen minstens vijf kinderen, waarvan twee jong overlijden. Alle familiegebeurtenissen van ouders en kinderen spelen zich af in Utrecht.

  1. Franciscus Cornelis Cohu (1836)
  2. Anna Catharina Sophia Cohu (1839 - 1921). Zij krijgt dezelfde naam als haar in 1837 geboren zusje dat maar 10 weken oud werd. Ze huwt Johannes Armee (1830).
  3. Sophia Anna Catharina (1841). Zij krijgt dezelfde naam als haar ca. 2 jaar jongere zusje dat hetzelfde jaar is overleden.

Stephanus Cohu overlijdt in 1859 op een leeftijd van 51 jaar, zijn vrouw 30 jaar later op haar 75e (1889).

Van Stephanus Cohu is een militierapport bekend. Hij is 1,68 meter lang, gemiddeld voor die tijd, en heeft een vol aangezigt, rond voorhoofd, grijze oogen, dikke neus, ordinaire (= gewone) mond, ronde kin, bruin haar en wenkbraauwen.

In een adresboek van Utrecht van 1836 staat dat deze familie achter het stadhuis woonde, aan de Korte Minre- of Minnebroederstraat. Op dat adres wordt ook het onfortuinlijk overlijden gemeld van Sophia Anna Cohu; ze is nog maar 1 jaar en 2 maanden oud. Ook na Stephanus Cohu's overlijden staat haar weduwe ingeschreven op dit adres. Volgens een adresboek van Utrecht van 1863-1864; Cohu (Wed S.) Korte Minnebroederstraat, Achter 't Stadhuis F14.

Detail van het militierapport van Stephanus Cohu

Zowel dochter Anna Catharina Sophia Cohu als kleindochter Catharina Paulina (Cato) Armee zullen later achter het stadhuis gaan wonen. Deze destijds 'A-lokatie' in het centrum van Utrecht is gesloopt voor nieuwbouw van het Stadhuis in de 20e eeuw.

Stefan de instrumentmaker

Als jongvolwassene woont Stephanus nog bij zijn ouders in Utrecht en is instrumentmaker.

Dit ambacht zal hij zich eigen maken getuige een aantal instrumenten van zijn hand dat bewaard is gebleven. Ze worden verderop behandeld op deze pagina.

Zijn schoonvader, de muntgezel en smidmeester Cornelis de Brieder, heeft ook een creatief en technisch beroep, maar het causale verband met zijn beroepskeuze is onbekend.

De instrumentenkamer van het Teylermuseum in Haarlem met oude instrumenten die met elektriciteit, magnetisme en luchtdruk werken. Veel daarvan werden ontwikkeld in de periode dat Stephanus Cohu leefde, de vroege 19e eeuw. Foto/afbeelding: picturae.com.

In de Utrechtse Studentenalmanak, een jaarlijks uitgegeven boekje met handige informatie, van het schrikkeljaar 1848 wordt S. Cohu van achter het stadhuis vermeldt.

Hij is custos oftewel bewaarder (vaak van een bibliotheek of collectie) van het Kabinet van Landbouwwerktuigen en Gereedschappen in de Wittevrouwenstraat.

Vermoedelijk wordt de Universiteitsbibliotheek bedoeld, die vanaf 1820 in Wittevrouwenstraat nrs. 7 -11 was gevestigd; het voormalig paleis van koning Lodewijk Napoleon.

Windroos van de hand van Stephanus Cohu, uit de collectie van Museum Boerhaave.

Stephanus is dus op zijn 40e, wellicht parttime, verbonden aan wat destijds de Utrechtse Hoogeschool heet. Deze universiteit speelt een prominente rol in de opbloei van de Nederlandse natuurwetenschappen en de introductie van laboratoria als oefenplaatsen voor studenten. Gezien Cohu's vak en instrumenten zal hij zich hier thuis gevoeld hebben.

Windroos

In de collectie van Museum Boerhaave, het Rijksmuseum voor de Geschiedenis van de Natuurwetenschappen en van de Geneeskunde in Leiden is een windroos opgenomen van Stephanus Cohu. Dergelijke windrozen werden in kompassen gebruikt en gaven de windrichtingen aan, in dit geval onderverdeeld in 32 punten.

Multiplicator met astatische naald

Multiplicator met astatische naald van de hand van Stephanus Cohu, uit de collectie van Museum Boerhaave.

Van de hand van Stephanus Cohu is ook een ander voorwerp opgenomen in de collectie van Museum Boerhaave met de raadselachtige naam multiplicator met astatische naald.

De multiplicator met astatische naald is een voorloper van de galvanometer, een meetinstrument voor het aflezen van elektrische stroom.

In deze uitvoering is een magnetische kompasnaald opgehangen aan een lange draad. De naald reageert op magnetisme dat wordt opgewekt door de (te meten) stroom door een aantal spoelen te laten lopen aan de basis (multiplicator). Het instrument is zeer gevoelig en kan hele kleine stroompjes meten (micro- tot milliampères).

Met astatisch (zonder vaste stand) wordt bedoeld dat men het aardmagnetisme heeft geneutraliseerd door de meetnaald met twee tegengestelde magneten uit te voeren. Bij zeer kleine stroompjes beïnvloedt het aardmagnetisme namelijk de metingen.

De datering van het instrument heeft het museum vermoedelijk afgeleid van het werkzame deel van Stephanus Cohu's leven; tussen 1825 (hij is ca.17 jaar oud en al instrumentenmaker) en 1859 (zijn overlijden).

De Fransman André-Marie Ampère ontdekt pas in 1820 het fenomeen van het elektromagnetisme waarop latere galvanometers zijn gebaseerd, en aan de uitvoering van Cohu's voorwerp te beoordelen is het vermoedelijk een van de eersten van zijn soort; het ziet er ruw en experimenteel uit vergeleken met later gedateerde galvanometers.

Het kan dus vervaardigd zijn in Stephanus' jongere jaren, als instrumentenmaker in de dop, mogelijk een innovatieve ervaring voor hem. Het bruikbaar maken van elektromagnetisme voor allerlei toepassingen (zoals telegrafie) stond nog in de kinderschoenen.

Bakbarometer

Bakbarometer van de hand van Stephanus Cohu (vervaardigd tussen 1825 en 1859)
Detail van een voorplaat van een Nederlandse bakbarometer, vergelijkbaar aan die van Cohu, hoewel Cohu geen hygrometer had ingebouwd.

Stephanus Cohu is ook de vervaardiger van een bakbarometer uit de Toebosch Collection of Important Clocks, Furniture and Good Decorations. De barometer is in april 2005 verkocht bij een Sotheby's-veiling voor € 8.400,-. Het ontwerp heeft classicistische Louis XVI-trekjes maar is wel een halve eeuw later vervaardigd dan die periode.

De bakbarometer heeft haar naam te danken aan het (rechthoekige) bakje aan de onderzijde dat bedoeld is voor het verhullen en het beschermen van het kwikreservoir. De uitvoering is klassiek en van mahoniehout. Het architecturaal frontje heeft een timpaan boven en twee gedraaide knoppen onder. Het glazen langwerpige deurtje kan open en laat twee tinnen gegraveerde schaalplaten zien.

Het voorwerp huist zowel een barometer (voor de weersgesteldheid) als een thermometer op alcoholbasis. Al met al luxueus uitgevoerd.

Volgens expert Marco Fontijn werden de eerste exemplaren zo rond 1740 vervaardigd. Stephanus Cohu maakt het voorwerp ca. 100 jaren later. De instrumenten waren dus al redelijk 'uitontwikkeld'. Een citaat van Marco Fontijn:

Uit het veilingdossier; de bakbarometer van de hand van Stephanus Cohu. Het bracht € 8.400,-, op, ondanks de foutieve te vroege datering van een halve eeuw.
De term 'bakbarometer' is overigens wel bijzonder ruim voor een instrument dat in zo'n grote verscheidenheid voorkomt. Zelfs de Nederlandse bakbarometer op zich kende al veel varianten. Het instrument maakte dan ook een lange ontwikkelingsgeschiedenis door. De eerste exemplaren werden zo rond 1740 vervaardigd.
Eerst nog door een beperkt aantal Nederlanders, zoals bijvoorbeeld de beroemde instrumentmaker Hendrik Prins uit Amsterdam, maar al spoedig vrijwel uitsluitend nog door immigranten uit Zuid-Zwitserland en Noord-Italië.
Het rechthoekige ‘bakje’ voor het reservoir, waaraan de bakbarometer zijn naam zou gaan ontlenen, zorgde ervoor dat de Nederlandse barometer zich sterk ging onderscheiden van de Engelse voorbeelden. Ondanks de buitenlandse makers ontstond er dus wel een voor ons land kenmerkend product, helemaal nadat hier na verloop van tijd het gebruik van de contrabuis in zwang raakte.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten
Varianten
Handelingen
Navigatie
Hulpmiddelen